DE VROUWE EN DE HENNE.

Een arme, en slechte sloor, die eerstmaal kwam aan 't schrapen,

Bekwam een Lombaardsch'[492] hen, heel zonderling geschapen:

Die, zwanger dagelijks, haar gretige waardin

Een gulden ei in 't nest bracht tot bezolding[493] in.

Waar uit dan overvloed en rijkdom 't gretig herte

Van deze vrekke-zak[494] bezaten vol van smerte:

Die, met dees vaste rente en inkomst niet vernoegd,

Heeft tot der hennen[495] dus haar redenen gevoegd:

"'t Is waar, ik erf van u de dagelijksche vruchten;

Maar laas! zij knagen 't hert, en blijf[496] vol ongenuchten:

Ik moet zelf zien den grond, ik moet zelf zien den schat,

Daar in mijn droeve ziel steeds droefheid heeft gehad."

Zij keeltze met een mes, en hoopt met eender[497] vlagen

Den heelen schat en 't goud gelijklijk uit te dragen.

De gierig' haar bevindt bedrogen in haar zin:

Terwijl zij schatten zoekt, verliest zij haar gewin.

's Gelijks is menig mensch met de inkomst niet te vreden,

Maar tracht naar grooten staat, en ijdle heerlijkheden:

Waagt al zijns vaders haaf moedwillig op een bot[498],

Verliest zijn schat en hope, een onverwachte lot!

Wijs is hij die genoegt, of leert genoegen[499] leeren.

Die wikt eerst eer hij 't waagt, zal na-rouw van hem keeren.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 224 / 258 题