Een arme, en slechte sloor, die eerstmaal kwam aan 't schrapen,
Bekwam een Lombaardsch'[492] hen, heel zonderling geschapen:
Die, zwanger dagelijks, haar gretige waardin
Een gulden ei in 't nest bracht tot bezolding[493] in.
Waar uit dan overvloed en rijkdom 't gretig herte
Van deze vrekke-zak[494] bezaten vol van smerte:
Die, met dees vaste rente en inkomst niet vernoegd,
Heeft tot der hennen[495] dus haar redenen gevoegd:
"'t Is waar, ik erf van u de dagelijksche vruchten;
Maar laas! zij knagen 't hert, en blijf[496] vol ongenuchten:
Ik moet zelf zien den grond, ik moet zelf zien den schat,
Daar in mijn droeve ziel steeds droefheid heeft gehad."
Zij keeltze met een mes, en hoopt met eender[497] vlagen
Den heelen schat en 't goud gelijklijk uit te dragen.
De gierig' haar bevindt bedrogen in haar zin:
Terwijl zij schatten zoekt, verliest zij haar gewin.
's Gelijks is menig mensch met de inkomst niet te vreden,
Maar tracht naar grooten staat, en ijdle heerlijkheden:
Waagt al zijns vaders haaf moedwillig op een bot[498],
Verliest zijn schat en hope, een onverwachte lot!
Wijs is hij die genoegt, of leert genoegen[499] leeren.
Die wikt eerst eer hij 't waagt, zal na-rouw van hem keeren.