DE BEER EN DE BIJEN.

"Hoe jeukt mij mijne maag, hoe kittelen mijn zinnen,

Om ergens eenen buit of lekkren beet te vinnen[487]!"

Sprak de onbesuisde beer: "ik zie hier aan dees zij,

En val de korven aan, gelaân met lekkernij.

Gans dood! hoe prikkelt gij mij dus, ontelbre zwarmen?

En angelt mij ter dood! hebt over mij erbarmen!"

Den beer (om snoepen dol) bespiedde een nieuwe kans:

De bijkens (op haar hoed) verleeren hem althans[488]

Het snoepen beter af[489]: zij priemen hem zijn oogen,

Zijn ooren en zijn muil: en zonder mededoogen

Doorbooren hem zijn vel, met vlimmen[490] in zijn huid,

Dat hij verbolgen tiert, en krijscht gansch overluid:

"Ik heb te laat met schâ mijn domheid ondervonden,

Ik worde recht gepijnd om mijn bedreven zonden:

Was ik niet eerst geleerd, dat ik nu andermaal

Moet klagen mijn verdriet, en lijde deze kwaal!"

Wiens herte brandt en blaakt, zijn naasten te beschaden,

Moet straffe, schande en smaad op zijnen halze laden.

Wie tijdelijken[491] keert, en houdt zulks voor gewis,

Dat dit een lesse tot zijn onderwijzinge is,

Zal namaals zijn gerust, en niemand meer bedroeven,

Genoegen met het zijn, en 's anders niet behoeven.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 222 / 258 题