De spits-vinnige[479] vos, en ruig gehaarde bok,
Bespiedden eenen buit, of eenen vetten plok[480]:
En vonden bij geval een kelder, daar de wijnen
In overvloed getond vast lagen bij dozijnen:
Waarna den schrandren vos wel jankte zijnen darm[481],
Maar hij peinst op het eind: "Zegt, broeder bok! hoe warm
Verkwikken zoude ons borst door 't lieflijk pinteleeren[482]?"
De bok (hoe lang gebaard) dacht niet op 't weder keeren.
Zij daalden in 't gewelf, daar zij den hollen buik
Opvulden van het nat. De bok blijft in de fuik,
Na 't zoete volgde 't zuur. De vos ligt op zijn luimen,
En zegt: "Spits-broêr! 't is tijd, dat wij de kelder ruimen.
Laat mij eerst gaan bezien of nieuwers[483] eenen hond
Of luyen rekel ligt, die 't ruchtbaar maakt en kond.
Krom dy een weinig, bok! dat ik eerst recht aanschouwe
De vrucht van ons geluk, ons blijdschap los van rouwe."
Mits buigt hij[484] zijnen hals, en laat daar over gaan
Den slimmen loozen vos, die hem zocht te verraân.
Het schalke Reintjen loert op zijn deurtrapte treken,
En laat den wijzen baard dus in den pekel steken,
Die deerlijk roept om hulpe, en klaagt in zijn verdriet;
Hij ziet en hoort hem wel, begekt en acht hem niet.
Zoo wie zijn ooren wendt na[485] der verleiders smeeken,
Bij een gebaarden bok te recht, wordt hij geleken.
Want zoo de brave[486] baard baart wijsheid en verstand,
Dan vindt men meer doctoors als zotten in het land.