DE WOLF MET ZIJN GETUIGEN TEGEN 'T SCHAAPKEN.

't Onnoozel slechte[466] schaap was voor het recht gedaagd,

Van den deurtrapten wolf op 't heftigste aangeklaagd,

Dat het haar schulden zou vergoeden en betalen,

Zou 't anders zien van haar met macht of recht te halen:

't Eenvoudig schaapken, dat met waarheid was verzeld,

Zwoer hoog en dier, dat haar nooit stuiver was geteld.

De wolf omkocht[467] den hond, den gier, en wouw tot tuigen,

En loerden, hoe hij 't recht en rechters konde buigen:

Verdrukt 't onschuldig schaap door toog[468] van valsche blijk,

Dies 't vonnis tegen haar gesproken wordt gelijk[469].

Zoo wordt een kwade zaak, door Godvergeten guiten,

Met duizend eên[470] bevest. Meineedig dan besluiten

De rechters ook het recht: O, wee een zulke stad,

Daar 't recht een spinwebb' is! De sterke maakt een gat,

De teêre blijft'er met zijn vlogels in gevangen;

De rave werd[471] verschoond, het duifken werd gehangen,

De vrome werd verdrukt, de boozen houden 't veld.

Wee is op zulken land en koninkrijk gesteld!--

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 216 / 258 题