Twee makkers op den weg al wandelende spraken
Van ware broederschap en vriendelijke zaken;
Zij sloten eenen bond, (hoe groot ook waar de nood)
Malkander bij te staan getrouwlijk totter dood.
Op 't onverzienst komt haar den honig-snoeper over,
Zoo vreeslijk, dat hij scheen des blijden levens roover:
Dies de een in snelder[460] ijl begeeft zich op een boom;
En de ander, als versuft, valt plots'ling in een droom,
Zoo 't scheen, en veinst hem dood, door 't rekken van zijn leden;
Alleens[461], of met een vlim zijn draad waar afgesneden.
Den beer snuift om en om, en ruikt vast hier en daar,
Hij vindt noch locht, noch geest; maar, of 't een krenge waar,
Verlaat den bangen man. Dies de ander afgestegen
Verzoekt[462] zijn oude spits[463], die nog was gantsch verslegen[464]:
"Ei, zeg mij, eêlen baas! wat luisterd' hij in 't oor?"
"Hij sprak, dat ik dijn[465] vliede, en kies daar trouwer voor."
Zoo kent men ware liefd' in nare noods bedroeven,
Gelijk men 't goud in 't vier, en op de toets moet proeven;
Maar valsche vrienden zijn lieftallig in 't aanschijn,
Daar ware vrienden in der dood getrouwe zijn.
Gelijk de lichte sneeuw versmelt door Phoebi stralen,
Veel lichter stuift die weg als voorspoed komt te dalen:
Maar trouwheid blijft altoos, en wijkt om dit noch dat.
Dus is de oprechte vriend de kostelijkste schat.