Een hert, gewend in weelde en alle lekkernijen,
Begaf zich tot den dronk en volle slempernijen:
Door de overstal'ge[453] maat en 't gulzige geslok,
Verbreekt zijn tengre been aan eenen eiken blok.
Let hierop, kittebroêrs[454]! dit zijn de waarde gaven,
Die Bacchus geeft zijn maats en Ceres hare slaven:
Wanneer hij van zijn vrucht[455], en zij van haren drank[456]
U schenkt de kroezen vol, dan zijn de beenen rank,
Dan krenken zij 't vernuft, betooveren uw zinnen,
Door dat gij van haar sap en nat te zoet wilt ninnen[457];
Dan steigren zij in 't hoofd, en timmeren in 't brein:
Gij waant u een monseur, vast[458] wordt de beurze klein.
Gij speelt den goochelaar, oubollig[459] in manieren,
En bootst, zoo wreed, zoo vuil en slecht, na alle dieren.
De zinnen zijn van huis, door 't poyen dag en nacht;
Men kraauwt vergeefs den kop, als 't geld is door-gebracht.
Het hammeken is op: de beenen zijn gebroken:
De goê gelegentheid en tijd is weg gesloken.
De leden zijn verstijfd: de lever, longe, en mild
Verzopen en verteerd. Dit 's loon van 't dronkaards gild.
Volgt dan des waarheids les: leert soberheid gebruiken,
En vliedt, als eene pest, zinlooze Bacchi kruiken.
Let vooral op de spreuk: Als 't bier is in de man,
Dan is al zijn verstand en wijsheid in de kan.