OUDE MAN EN DOOD.

Een stok-oud[451] reiziger langs ongebaande wegen,

Met een zwaarwichtig pak zich vond geheel verlegen:

De last hem overweegt, hij ziet des weegs geen end:

Hij zucht, hij hijgt, hij steent, vol kommer en ellend.

Ten laatsten afgemat, aanvangt hij dus te klagen:

"Gebeurt u dan geen rust, zelfs in uw oude dagen?

Was 't daarom, dat gij voor veel andren overschoot,

Die lang verbeten zijn van de onverwachte dood?

O aangename dood! leent 't oor tot mijn gebeden,

Helpt een onzalig man uit zijn katijvigheden!"

De dood verhoort zijn klacht, en voor zijn aangezicht

Haar schrikkelijk vertoont met eenen stalen schicht.

Dies schrikt den ouden-stok, en bidt, met groot vervaren:

"Erbarmt mijns ouderdoms, en wilt mij nog wat sparen:

Ik wenschte alleen om u, vermits mij hulp gebrak,

En mij te bange viel mijn zwaar-geladen pak."

Zoo dwijnt[452] de een zwarigheid, die groot scheen in onze oogen,

Wanneer een grooter zich koomt levendig vertoogen.

Men roept wel om de dood, uit onkunde en verdriet;

Maar treedt ze voor den dag, zeer snel men voor haar vliedt.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 210 / 258 题