HET VELD- EN STAD-MUISKEN.

't Bol[436] muisken van der stad de veld-muis kwam vergasten[437],

Maar vond zoo sobren disch, dat het zich niet verbrasten:

Want erwten, boonen, grut, en wortlen was de kost,

Daar 't lekker[438] diefken zich meê vrolijk maken most.

De stad-muis, ongewoon zoo sobre middag-malen,

Wil tot een zoete wraak bet[439] haar waardinne onthalen:

"Zwart-zuster!" zegt zij, "komt, verzoekt[440] uw oude kaar[441]:

Vergast[437] mij, daar men smetst[442] of 't altijd bruiloft waar."

De veld-muis is gereed. Ter stadwaart zij zich haasten;

De stad-muis vindt haar woonst'[443] en wilkoomt[444] haar ten laatsten

In 's kelders diep gewelf, daar 't niet min was onvrij,

Als rijkelijk verzorgd van alle lekkernij:

Want 's tafelknechts verzoek[445] haar beven deed en ijzen,

Zoo dik hij voorraads haalde om 's meesters disch te spijzen:

En steurden 't muizemaal, nu met, nu zonder kaars,

Naar 't rispelen[446] jeloers. De veld-muis, vol gevaars,

Sprak: "Smaak noch zoetigheid aanbrengt mij 't lekker eten:

In 't veilig kies ik liefst raauw' bonen en erweten[447]."

Wie soberlijken leeft in 't vrije en open veld,

Die 's werelds pracht versmaadt, en[448] goud-zucht niet en kwelt,

Smaakt droog brood suiker-zoet, als d' honger hem komt nooden,

Daar 't hof walgt van 't gebraad, noch smaak vindt in 't gezoden[449].

Want laagheids armoed' is het veiligste van al,

Daar hoogheids weelde daalt, komt[450] plotselijk ten val.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 208 / 258 题