DE KALIKOET EN DEN HAAN.

Den koekeloeren[432]-haan zag op zijn mist-hoop treden

Een rooden kalikoet[433]; dies werd hij zeer t' onvreden,

Beriep hem tot den kamp, en liep hem in 't gemoet;

Dies hem verweeren most den grooten kalikoet.

Zij vochten beid' om strijd, dat 't roode bloed afdroopten[434],

Als zij de een d' ander fel met scherpe sporen noopten[435].

Den Kalikoet in 't eind zag, dat den Duitschen haan

Hem rust noch vrede liet: dus, om zich gants t' ontslaan

Van allerhande twist, verkoos in ander hoeken

Zijn dagelijkschen kost in vrede te gaan zoeken.

Veel volkren zijn zoo wild, zoo woest, en onbesuisd,

Dat de arme vreemdling niet bij haar mag zijn gehuisd.

Al hebben zij een land tot haar behoef gewonnen,

Een ander zullen zij het aardrijk nog misgonnen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 206 / 258 题