De bliksem-drager heeft den koor der Hemel-goden
Op een zeer groot banket heel vrundlijk laten nooden:
Neptunus fluks ter feest met zijnen drietand kwam,
En Mars, nog vocht[425] van 't bloed, en van het krijgen gram;
Apollo met de glans van zijn doorluchte stralen,
Met al de water-goôn en nymfen van de dalen.
Zoo fluks 't gediert vernam het heerlijk avondmaal,
Elk een zijn giften bracht op 's Hemels opper-zaal.
't Was Jupiter zeer lief, hij heeft ze in dank ontvangen.
Ten leste met een roos kwam een der water-slangen;
Maar Jupiter, beducht dat eenig boos venijn
Mocht onder 's rozen blaân en steel gestreken zijn,
Heeft dit geschenk ontzeîd[426]. Gij, die de Goôn wilt eeren
Met een oprecht gemoed, wilt u ten Hemel keeren;
Want ijdel is de dienst, die iemand hem bewijst,
Wanneer hij uit een boos en godloos herte rijst.