DE VOGELAAR EN DE OOYEVAAR.

Eens landmans akker stond gelaân met gouden koren,

Maar 't werd van ganzen en van kranen afgeschoren;

Dies hij van toornigheid zijn strikken heeft gesteld,

Om dees roof-vooglen te verrasschen op het veld.

Hij lag op zijne luim met overgroot verlangen,

En heeft juist bij geval een klepelaar gevangen.

Den ooyevaar, uit angst, heeft zijne onnoozelheid

Den akkerman verbaasd tot onschuld voorgeleîd:

"Den tijd mijns levens nooit beschadigde ik uw granen,

(Zegt d' ooyevaar) gelijk de ganzen en de kranen."

"Neen, (sprak de vogelaar) het lijf is u ontzeîd,

Uw onschuld niet en geldt, ik vind u op het feit."

Wie veilig leven wil in stilheid uitgenomen[423],

Verzel zich daaglijks bij 't gezelschap van de vromen;

Want wie de kwaden volgt, die 't booze zijn gewoon,

Wordt eindlijk achterhaald, en krijgt der kwaden loon.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 196 / 258 题