De landman een patrijs in 't looze net verstrikten,
De koppens[421] in de ren het arme hoen verpikten:
Zoo dat het zijnen tijd in rouwe slijten most,
Op hope, van 't verdriet nog eens te zijn verlost:
Doch eindlijk zag het, hoe vast vinnig met onvreden
De kamme-dragers steeds zoo nijdig t' zamen streden,
De een, met jeloersheids pest ontsteken en gekweld,
Omdat met zijn boelagië een ander was verzeld;
En d' ander, om den palm triumfelijk te voeren,
Hadde anders niet in 't hoofd als groote krijgs-rumoeren.
Als 't veld-hoen dit beoogde[422], en zag, hoe fel en wreed
Het een gekamd geslacht het andere bestreed,
Zoo heeft het zich getroost, en dacht: 't en is geen wonder,
Dat ik, arm vreemdeling! moet stadig duiken onder,
Daar borgers onderling malkanderen bestaan,
Op 't scherpste en 't alderfelst, zeer herd te grijpen aan,
En daar zij daadlijk zijn geneigd ten alderboosten,
In zijn versmaadheid zich een uitheemsch' licht kan troosten.