De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen;
Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren,
Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:
"O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!
Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:
Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen,
En jagen u zoo veel patrijzen in den strik,
Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik."
"Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten,
Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,
Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan,
De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan."
Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,
Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:
Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn,
Werd[420] zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.