DE VOGELAAR EN 'T VELD-HOEN.

De vooglaar op zijn luim ving een patrijs in 't garen;

Het veld-hoen, in 's doods schrik ende uiterste gevaren,

Den vooglaar vrundlijk smeekte, en om zijn leven bad:

"O! (sprak het) rooft mij niet mijn alderweerdste schat!

Mijns levens doch verschoont; ik sta in duizend vreezen:

Mij weêr in vrijheid stelt, ik wil u dankbaar wezen,

En jagen u zoo veel patrijzen in den strik,

Als gij begeeren zoudt, in éénen oogenblik."

"Neen," zegt de vooglaar, "neen; zijt gij zoo boos van herten,

Dat gij een ander wilt toebrengen zulke smerten,

Waar van gij hertlijk wenscht u zelven nu t' ontslaan,

De welverdiende straffe en zuldy niet ontgaan."

Die op zijn luimen ligt om andren te verraden,

Zal eenen zwaren vloek op zijne schoudren laden:

Die andren lagen leît, of onderstaat te doôn,

Werd[420] zelfs in 't net gejaagd, en krijgt verraders loon.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 192 / 258 题