DE ZWALUWE ENDE DEN KWIST-GOED.

Een dertle lichtmis al zijn goederen verkwistte,

Behalve zijnen rok, die hij ongeerne miste.

Doch als hij onverziens een zwaluw in de locht

Haar vleuglen roeren zag, hij bij zich zelven docht[416]:

Die vogel is gewis een voorbood' van de dagen,

Die 't alderlieflijkst zijn, en niet dan bloemen dragen:

Mijn hemde[417] mij genoegt; het opper-kleed moet zijn

Verdobbeld en vertuischt[418], 't hert vrolijk in de wijn.

Maar laas! hoe is 't vergaan? de Noordwind is gekomen,

En heeft met zijn geblaas den zwaluw 't lijf benomen!

De brasser, als hij nu den vogel liggen zag,

"Gij, (zeid' hij) de oorzaak zijt van alle mijn geklag,

Van koude ik nu verga; nu vinde ik mij bedrogen,

Om dat gij trouwloos zijt te vroeg de hette onvlogen."

Wie iets te spoedig doet, en volgt zijn eigen hoofd,

Al lichtelijken van zijn welvaart wordt beroofd;

Indien de kwist-goed dacht op huiden[419] om den morgen,

Hij zoude ontwijflijk meer voor 's levens welstand zorgen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 190 / 258 题