Den aap eens guichelaars[410] bedreef zeer vreemde dingen,
Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen,
't Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413] aan,
Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.
Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen,
Hij een fraai hierlandsch[414] wijf ziet groote noten snoepen:
Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt,
En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:
Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!)
Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.
De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,
Dat haar[415] van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf.
Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,
Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:
Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pas
Hetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.