BAVIAAN ENDE AAP.

Den aap eens guichelaars[410] bedreef zeer vreemde dingen,

Met dansen in het perk[411], met beitelen[412], en springen,

't Nieuws-gierig malle volk zag vast de bootsen[413] aan,

Elk was van lachen schier de blijde ziele ontgaan.

Terwijl den aap vast juicht, en volgt op 's meesters roepen,

Hij een fraai hierlandsch[414] wijf ziet groote noten snoepen:

Dies hij, op 't onverzienst, na haren schoot zich maakt,

En voor een wijl met haar zoet-apig noten kraakt:

Ten leste krakens moede (o, zeldzaam wonderheden!)

Hij haren voorschoot licht, en toont haar naakte leden.

De omstanders lachen vast om zulk een vreemd bedrijf,

Dat haar[415] van schaamte moet versteken 't schaamrood wijf.

Nature wordt bedekt door de aangewende zeden,

Maar nimmer uitgerooid door leeringe of door reden:

Barst altijd ergens uit, en brengt nog eens te pas

Hetgeen haar aangeërfd en aangeboren was.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 188 / 258 题