't Lang-halzige kameel, den ezel afgedreven,
't Last-dragend muil-peerd, en de buffel, zat van leven,
Zich vonden t' zaam vergaârd in een gezonken[404] dal:
Elk klaagde zijn verdriet en daaglijksch ongeval;
Om dat elk volgen most zijns heeren last en wenschen,
En dienen tot gerief en slavernij der menschen.
Den ezel lang-geoord, die kreesch[405] uit ongeduld,
Hij was aan[406] zulken last noch arbeid niet verschuld,
Hij wilde 't zich ontslaan, en langer dus niet kruipen,
En voortaan oefnen niet als vreten, slempen, zuipen.
Dies straften de and're drie zijn domheid al te rouw,
En raadden[407], dat hij met dien staat vernoegen zoû.
Want willen slavernij ontgaan is moeit' verloren,
Om dat wij, (zeiden zij) tot slaven zijn geboren.
Hoe menig plompaart nog al stribbende[408] bepleit,
T' ontgaan het dienstbaar juk, dat hem is opgeleîd;
Maar 't is vergeefs gewoeld, om 't voorschik[409] te verschrijven,
Want: die een ezel is, die moet een ezel blijven.