DE BOER EN ZIJN HONDEN.

Een huisman, hard gedrukt van 's winters sture vlagen,

Uit grooten hongers-nood zijn huis-vee heeft geslagen[403];

Maar laas! 't en holp al niet: de koude duurde lang,

De winter viel zoo streng, en maakte 't hem zoo bang,

Dat hij zijn ossen bij haar hoornen heeft gegrepen,

Die plachten zijnen ploeg te trekken en te slepen:

Dees heeft hij ook op 't lest ter slachtbank voortgebracht,

En met den scherpen bijl gezamentlijk geslacht.

Zijn honden hebben dit droef schoûspel waargenomen,

En eindelijk bestaan uit angst voor hem te schromen:

"O, laat ons, (zeiden zij) ontvluchten metter ijl!

Mag zijn jukdragend vee nog niet ontgaan den bijl;

Niet beters zal gewis op 't lest ons wedervaren:

Die zijn lief huis-vee slacht, en zal geen doggen sparen."

Wijs is hij, die in tijds is voor 't gevaar beducht,

Die veiliglijken nog de aanstaande dood ontvlucht.

Die vonnist, dat hij is te vreezen en te mijden,

Die zijn zelfs huisgezin bezwaard met kruis en lijden.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 184 / 258 题