DE OUDE HOND, EN ZIJN MEESTER.

Een oude kranke brak, te traag om meer te jagen,

Werd dagelijks gegroet en afgesmeerd met slagen,

Omdat hij langer niet zijn jonker bracht ten hoof

Een afgeronnen hart, wild zwijn, of andren roof:

Gelijk hij voormaals plag de tafel zijnes heeren

Met lieflijk venezoen[399] op 't rijkste te stoffeeren:

Maar als hij eindlijk werd bejegend langs hoe straf[400],

En dat men stokken[401] hem in plaats van eten gaf,

Hij tot zijn heere sprak: "Mijn diensten zijn vergeten,

Ik heb mijns levens tijd ellendelijk versleten;

Men heeft mij om de buit getroeteld spade en vroeg,

En niet uit liefde en gunst, die iemand tot mij droeg."

Wie zijnen tijd verslijt in grooter heeren hoven,

Zich dwaselijken veel belooning gaat beloven.

Want als hij zijnen tijd onnut heeft doorgebracht,

Hij ijdel en vergeefs op zijn bezolding[402] wacht.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 182 / 258 题