DE KAT EN DE RATTEN.

Een stok-oud katten-vel met kreupelheid behangen,

Van oudheid ratten kon noch langer muizen vangen:

't Langsteertige gebroed, als 't hier de snuf[395] van kreeg,

Haar honger boetten aan het meel en aan den deeg.

Dit heeft die oude kol tot in het hert verspeten[396],

Om datz' haar wakkerheid door de oudheid[397] had vergeten;

Maar evenwel bedacht een raad vol arg en list:

Zij voegd' haar[398] bij het meel en school haar[398] in de kist.

De dieren, die bij nacht na haar gewoonte kwamen,

Zij d' een na d' ander heeft verslonden al te zamen.

De mager armoê verr' de zatte weeld' verkloekt,

En in den bittren nood en angst veel listen zoekt:

Al 'tgeen in weelde niet kan ons gedachten roeren,

Weet de armoê nog in nood scherpzinnig uit te voeren.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 180 / 258 题