De klauterende kat een haan hadde opgegrepen,
En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:
"Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,
Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;
Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken,
En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,
Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.
Gij zult vroegmorgens[387] niet meer maken groot geluid.
Noch in haar[388] zoetste rust de slapers komen storen."
Dies Koppen[389] om t' ontgaan des katten heeten toren[390],
Zijn onschuld[391] maakte, dat hij 't niet en was alleen.
Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.
De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten:
Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten.
Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind,
Al lichtelijken een gevonden[394] oorzaak vindt.
Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen,
Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.