DE KATTE EN DEN HAAN.

De klauterende kat een haan hadde opgegrepen,

En in haar pooten hield hem vast en stijf genepen:

"Bloed-schender! (zeide zij) hoereerder, razebol,

Gij hebt, gij hebt nu uitgespeeld uws levens rol;

Gij hebt de dood verschuld[386]: deze oogen zuldy luiken,

En meer uw moeder noch uw zuster niet gebruiken,

Om uwen geilen lust met haar te blusschen uit.

Gij zult vroegmorgens[387] niet meer maken groot geluid.

Noch in haar[388] zoetste rust de slapers komen storen."

Dies Koppen[389] om t' ontgaan des katten heeten toren[390],

Zijn onschuld[391] maakte, dat hij 't niet en was alleen.

Maar zulks met al de rest der vooglen had gemeen.

De kat en luistert noch naar onschuld[392], noch geweten:

Maar heeft der hinnen[393]-boel op staande voet verbeten.

Wie iemand haten wil, en is tot wraak gezind,

Al lichtelijken een gevonden[394] oorzaak vindt.

Geen onschuld gelden mag in 't vierschaar der tirannen,

Daar reên en billijkheid van ouds is uitgebannen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 178 / 258 题