DE GEITE EN 'T JONGE WOLFKEN.

De langgebaarde geit een wolfken heeft gevonden,

't Welk op te voeden zij haar zelf heeft onderwonden,

Zij leîde 't aan de speen: 't jong wolfken ouder werd;

Al zoog het geiten-melk, 't behield een wolvenhert:

Begon zijns vaders aard te drukken uit naar 't leven,

Zoo dat de moeder geit bestond daarvoor te beven.

"Gaat, wolf-kind!" sprak zij, "gaat (ik wil mij uws ontslaan),

Want voor de weldaad, die ik u heb aangedaan,

Gij mij ten leste zoudt verscheuren en verslinden;

Gaat naar uw wolven toe, wilt uws gelijke vinden."

Deugd werkt hij, die in nood zijn vijand goed bewijst[384],

Die zijnen dorst uitlescht[385], en zijnen honger spijst:

Maar toezien moeten wij alzoo hem te onderhouwen,

Dat wij ons zelven niet hem al te veel betrouwen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 176 / 258 题