De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376],
Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,
Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû,
Opdat ze afschutten[377] mocht haar schande en ook de koû,
Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren.
Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,
En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank,
De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,
Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen;
Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen."
De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!)
Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mist
Iets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,
Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378] armen.