DE AAP EN DE VOS.

De steertelooze Sim, den achter-kalen Marten[376],

Bad Reintiën, dat hij haar, uit liefde en goeder harten,

Een stuk van zijnen steert uit jonst meê-deelen woû,

Opdat ze afschutten[377] mocht haar schande en ook de koû,

Vermits zijn steert te lang zulks lichtlijk koude ontbeeren.

Maar Reinaart heeft zich hier gants niet aan willen keeren,

En sprak: "Neen, juffrouw Sim! maakt mij het hoofd niet krank,

De steert mij niet ontciert, noch valt mij niet te lank,

Noch ook zwaar van gewicht, in slepen of in dragen;

Uw smeeken is vergeefs, dus houdt vrij op van klagen."

De rijke gierigaart (een zeldzaam wonder is 't!)

Tot zijnes naasten troost, te noode ontbeert en mist

Iets van zijn overschot; hij keert zich aan geen kermen,

Noch ziet de nood niet aan van de aangevochten[378] armen.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 171 / 258 题