DE STIER EN 'T MUISKEN.

Den horen-drager stier hem[374] zelven koning noemde

Van al 't viervoetig vee, en al wat d' hoornen kromde;

Beroemde, dat hij 't al braveerde aan elken kant:

Ja, zelf te boven ging den sterken olifant,

Den leeuw, den beer, den wolf, en wreede panter-beesten,

En alles wat zich houdt in dalen en foreesten.

Terwijlen hij dus roemt, een muis kruipt uit haar hol,

En bijt den stier in 't been; dies hij, van gramschap dol,

Zijn leed te wreken tracht, en 't muisken wil vervolgen,

't Welk hem in 't hol ontvlucht: dies brult hij zeer verbolgen;

Want, t' elken als hij zich wil wreken van zijn leed,

Loopt 't diefken in zijn hol, dat hem zoo schendig beet.

Hoe groot een koning is, door al zijn heerlijkheden,

Al is hij schoon[375] het hoofd van menig duizend steden,

Zoo kan een onderzaat en minder onderdaan

Hem door zijn kloekheid nog veel hinders brengen aan.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 169 / 258 题