't Loos Reintiën eenen dog op 't onverzienste ontmoetten:
De dog, die wilde aan hem zijn gragen honger boeten;
Dies Reinaart in gevaar, hield met hem deze spraak:
"Gelooft mij, jonker dog, van wonder kwaden smaak
Is 't harde vossen vleesch, en kwalijk om verdragen:
't Bezwaart, en kookt[371] gants niet in hongerige magen.
Maar zoo u vleesch gelust of eenig lekker aas,
Ziet, daar loopt wel te passe een lang-geoorden haas,
Zijn vleesch is delicaat, en laat zich lieflijk stoven;
Het is 't gezochtste wild in aller princen hoven."
De dog, hierdoor beweegd, naar 't haasken henen spoedt,
't Welk vluchtig hem ontspringt, gelijk ook Reinaart doet;
Die, veilig bij den haas in schaduwe gezeten,
Zijn ontrouwe en verraad van 't haasken wordt verweten.
"O Kort-steert! (zegt de vos) genoegdy kwalijk nog[372]?
Ik prees uw edel vleesch op 't hoogste voor den dog!"
Zoo handlen zulken, die haar naasten nog bezwaren,
Opdat ze in lijfs gevaar haar zelven slechts bewaren.
De schalk[373] heeft om de brand zijns nabuurs geen geklag,
Als hij zich veilig bij de kolen warmen mag.