De wolf in d' afgrond van een holle rotse speelden,
Van voorraad wel verzorgd, en zwom in duizend weelden.
De vos, die bij geval passeerde langs het gat,
Den wolf om weinig spijze en voedsel vrundlijk bad.
Maar Wolfaart, veel te gier[364], en vreemd van medelijden,
Liet Reinaart ongetroost, en zag hem aan ter zijden:
De looze vos, om zich te wreken van dien smaad,
Wees d' herder 't wolvenhol, uit doodelijken haat.
De wolf geraakt om hals, en Reintiën noodt zich zelven
Op 't wildbraad, dat hij vindt in 's hollen[365] klipgewelven:
Verbrast hem[366] aan het vet, zoodat hij zelfs (helaas!)
Ten leste deerlijk wordt der feller[367] honden aas.
Al wie uit nijdigheid een ander neemt[368] te plagen,
Een beudel[369] wordt zijns zelfs, en zal veel smerten dragen.
De nijdige zich zelfs noch andren deugd betoont[370],
Om andren leed te doen hem[366] zelven niet verschoont.