De leeuw en 't wilde zwijn malkanderen ontmoetten,
Met opgesperden muil de een d' ander fel begroetten.
De leeuw, wiens kracht bestaat in zijnen slingersteert,
Het wild geborsteld zwijn zeer eiselijk aanveert[361],
En scheurt het dikke spek met zijn geslepen tanden:
't Zwijns oogen ziet men fluks gelijk twee kolen branden,
En 't grijpt zijn vijand aan om tegenweer te biên:
Terwijl de vogel gier haar worstlen gaat bespiên
Van eenen groenen tak, waarop hij is gezeten,
En vast op[362] d' eerste die van tweên zal zijn verbeten[363].
Maar als zij strijdens moede opschorten haar gevecht,
En ieder loopt zijns weegs, en niemand onder legt,
Den hongerigen gier, door ijdel hoop bedrogen,
Versteken van zijn vreugde is elders heen gevlogen.
Wie zich te vroeg verblijdt op 't niet en 't ongewis,
En deelt den beeren-huid eer 't beest gevangen is,
Ten leste dikwijls rouwe en droefheid zal bespringen:
Zot is hij, die veel roemt in onverkregen dingen.