DE VOS EN DE LEEUWE.

De vos zag eenen leeuw van verr' hem nader komen,

Dies 't siddren hem beving, en zeer begon te schromen:

Verstak zich voor een wijl in 't diepste van het woud,

En heeft zijn leven in 's leeuws klaauwen niet vertrouwd.

Terstond daaraan is weêr hem 't ruige dier verschenen;

Toen was hij zoo beducht noch bang niet als voorhenen,

Doch vlood vast niet te min in 't dichtste van het lisch.

Ten lesten hem noch eens de leeuw ontmoetet is;

Toen heeft hij onbezorgd verzeld den schrik der dieren,

Die neffens Reinaart hem bewees zeer goedertieren.

Gewoonte veel vermag in 't kwade en ook in 't goed:

't Is de andere nature in 't redelijk gemoed.

Veel hebben 't zondig kwaad, dat ons nog aan mag kleven,

Verkeerdelijk natuur, niet aanwenst[360] toegeschreven.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 161 / 258 题