Een reizend wandel-gast en sterken leeuw te zamen,
Door 't schaduwende woud haar weg en voet-pad namen,
En hadden onderling haar praterij gemeen,
Ter tijd[354] zij zagen, uitgehouwen in een steen,
Een man en ruigen leeuw, die worstelende deden
Haar beste en arbeid om elkanderen te ontleden[355];
Daar, na veel strijds, de man ten leste meester wordt,
Zoo dat de leeuw (zoo 't schijnt) ter aarden nederstort.
De wandelaars hier op haar oogen bezig[356] sloegen,
En elk voor ander schiep hier in een goed genoegen.
De leeuw 's leeuws sterkheid prees, die 's menschen overtrof,
De man gaf zijns gelijk der eeren krans en lof,
Vermits hij merkelijk den leeuw scheen te overwinnen:
De leeuw, hierom vergramd en razende van zinnen,
Zijn makker sprong op 't lijf, en sprak: "wel aan! laat zien,
Wie van ons tween de sterkste en grootste weer mag[357] biên!"
Wie zich te veel beroemt en zijnen kam opsteket,
Niet lettende met wie of wat persoon hij spreket,
Komt lichtelijk ten val, gesneveld[358] onder voet,
En zijn verdiende straften laatste dragen moet.