SLANGE EN BOER.

De land-man bij geval vond, in een hage-doren,

Een kronkelende slang, schier dood en half vervroren,

Vermids de Noordewind, de bleeke zon in 't snee,

En 't ijs, op 't strengst van 't jaar, haar aanzicht spieglen deê.

Des huis-mans hert, geroerd met liefde en mededoogen,

't Serpent brengt in zijn hut, maar vond zich haast bedrogen;

Want als 't ondankbaar dier 's vuurs gloeyendheid vernam,

En meer en meer allengs heel tot zich zelven kwam,

Het zijn venijn terstond aan alle kanten spreidde,

Dies hij haar met een aks terstond ten strijde ontzeide[352],

En kloof[353] haar 't hoofd in twee, en riep: "o, schendig feit!

Is dit de loon en dank van mijn getrouwigheid?"

Daar is geen boozer dier als een ondankbaar mensche,

Die, als hem alles gaat naar zijnen lust en wensche,

De ontvangen weldaad niet alleen ter zijden stelt,

Maar den weldoender zelf met alle kwaad vergeldt.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 155 / 258 题