De hongerige gier, al toornig en verbolgen,
Een licht gewiekte schaar van vooglen ging vervolgen,
En ving uit al de vlucht een jonge nachtegaal,
Die al verbaasd den gier dus aan sprak op[351] zijn taal:
"O, aller vooglen heer! wilt u barmhertig toonen,
Wilt mijn onnoozelheid en weerloosheid verschoonen:
Ik zal u dankbaar zijn, de tijd mijns levens lang,
En voor die deugd uw geest vermaken met gezang."
"Mij lust niet," antwoordt hij, "naar uw gezang te hooren;
Den honger is te groot, den buik en heeft geen ooren
Om luistren naar 't muziek, of eenig lieflijk lied;
Dus zwijgt vrij, want die zang noch vreugd bekoort mij niet."
Waar nood den mensch bekrijgt, daar acht men op geen zaken,
Die 't oog behaaglijk zijn, noch ons 't gehoor vermaken.
Veel dingen zijn wel nut en staan ons wonder aan,
Maar 't noodigst óverweegt, en steeds moet voren gaan.