De schampre kuiken-dief, die daaglijks met zijn kluiven
De kuikenen verscheurt en de arme tortel-duiven,
Den koekoek heeft beschimpt, omdat voor zijnen kost
Hij daaglijks zijnen buik met pierkens[346] vullen most;
Vermids hij, veel te bloode om iemand aan te randen,
Zijn zeen'wen[347] nimmer tot iet treffelijks uitspanden.
De vogel, die altijd zingt op een zelve maat,
Getroostte[348], dat hij dus veracht werd en versmaad,
Getroostte, dat hij zich met wormkens most erneeren[349],
Ter tijd hij onlangs[350] spoorde, en kenden aan zijn veêren,
Den kuiken-dief, door list des vogelaars gevaân,
Die hing aan 's torens top tot spiegel voor de kwaân.
"O! (sprak de koekoek toen) indien gij goedertieren
U sober hadt vernoegd met wormkens en met pieren,
Gij hadt uw vrijheid nog, en waart, niet min als ik,
Ontweken vrij en vrank der vogelaren strik."
Wie met een sobren disch vernoegd zich houdt te vreden,
Ontgaat 't perikel licht van veel gevaarlijkheden;
Maar wie behagen schept in weelde en overdaad,
Zich lichtelijken brengt in eenen droeven staat.