SLAK EN ADELAAR.

De slek[344], met haren staat misnoegd, en gansch t' onvreden,

Vermids zij kruipen most, en werd van elk vertreden,

Bad d' arend, dat hij haar ten Hemel voerde om hoog,

Op dat zij 's werelds kloot, met een doorzichtig oog,

Eens overgapen mocht, en alle de rivieren,

Die vochtig hier en daar gekrunkeld henen zwieren;

Zij wild' hem voor dien dienst vereeren, met den schat

Eens perels, die zij korts op 't veld gevonden had.

Den arend, haast verbeên, haar op nam met zijn klouwen,

En deed haar d' ommeloop des aardrijks naakt aanschouwen,

Ten lesten hij verzocht van haar 't beloofde pand;

Maar als hij bij de slek noch bag noch peerle vand,

Hij haar den nekke[345] brak, en deerlijk bracht om 't leven.

Wie niet vernoegt met 't geen natuur hem heeft gegeven,

Maar steeds naar hoogheid tracht, perikel loopt voor al,

Dat hem genakende is een eiselijke val.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 149 / 258 题