Een huis-rat, niet vernoegd, dat zij leefde als de vrije,
En in eens koopmans huis hadde alle lekkernije
Van suiker en banket, van wild en van gebraad,
En alles wat den disch eens handelaars beslaat:
Dies zij van dertelheid beraân werd te verhuizen
Aan 't dorre en vochte strang[341], daar steeds de baren bruisen.
Maar komende aan het meer en aan het natte zand,
Dat alzins[342] ligt verwaaid, zij fluks een oester vand[343];
Dies gretig naar den visch van binnen heeft gegrepen,
Maar de oester heeft de schelp al zachtkens toegenepen,
En 's ratten hoofd verplet, zoo dat het zwarte beest,
Op staanden voet verworgd, zeer deerlijk gaf den geest.
Wie in gerusten staat en in een weeldig leven
Zijn lusten niet bedwingt, maar naar iet nieuws wil streven,
Door dertelheid bekoord, al zelden wel beklijft,
Uit ongebondenheid, die hem tot weelde drijft.