Een land-man vond in 't woud een ruigen Satyr dolen,
Die, dood van koude schier, zat in een hol gescholen,
Hij bracht hem in zijn huis en deed hem goede cier;
De Satyr, boven mensch en onder als een dier,
Gemerk[338] nam, dat de boer, om d' handen te beschermen,
In zijne vuisten blies, op dat hij mocht verwermen
Zijn kneukels, schier verstijfd van koude op 't windig veld:
Ook zag hij, dat de spijze op 's tafels rug gesteld,
Door 's boeren adem d' hett' en brand werd afgeblazen:
Verwonderd overzulks, begon hij te verbazen,
En vlood ter deuren uit, beducht voor 's lijfs verlies,
Omdat m' er koude en hitt' met éénen adem blies.
Die in d' een hand het vuur in d' ander 't water houden,
De wijzeman bedacht[339] voorzichtelijk ooit[340] schouwden;
Want of haar wezen schoon niet toont als liefde en jonst,
Zoo zijnze doch niet vrij van booze toover-konst.