Een vogelaar, in 't veld uitspannende zijn garen,
Gezeten onder 't bruin van schaduwende blâren,
Een wolke vinken tot zijn net afdalen zag,
Die 't zaad oppikken kwam, dat uitgespreidet[337] lag.
Maar ziende een ander schaar van vooglen elders vliegen,
Dacht haar met éénen slag te zamen te bedriegen.
De vinken, zat terwijl van 't zaad dat ligt gespreid,
Ontvliên den vogelaar, die op zijn luimen leît.
't Licht ondertusschen daalt; na moeite en groot verlangen,
Hij aanden avond maar één vinksken heeft gevangen.
De gierigaart, die naar het goed des werelds streeft,
En nimmermeer genoegt met 't gene dat hij heeft,
Maar naar 't onzeker tracht, het welk hem kwam te voren,
Heeft dikwijls 't geen hij hadde op 't onverzienst verloren.