De ruige[331] dronken-bloed, die stonk van jopen-bieren,
Den dag van zijn geboort gewoonlijk[332] was te vieren:
En rechtte jaarlijks toe een groote Bacchus-feest[333],
Daar 't al ter maaltijd kwam, wat vrolijk was van geest.
Voor 't huis hij tot triumf een eiken vuur deed blaken,
Om al den heelen koor der slempers te vermaken;
Maar als eens bij geval de Noordewind op stak,
En de opgestegen vlam sloeg in het rieten dak,
De kermis was gesteurd, 't huis brandde lichter lagen[334],
De gasten vloden weg, verbaasd en heel verslagen.
Een muisken, om te ontgaan die hongerige vlam,
In 't midden uit den brand verbaasd gevloden kwam.
Den huis-heer, zat van bier, en vol en dol beschonken,
Greep 't muisken bij den steert, en werp[335] het inde vonken:
En riep: "o, ontrouw gast! waar hebbe ik ooit verschuld[336],
Dat gij in onspoed mij zoo haast verlaten zult?"
Die 't avontuur toelacht, geen vrunden en ontbreken,
Zoo lange als zijn planeet blijft een gelukkig teeken;
Maar als fortuin den nek op 't onverzienste wendt,
Hem naauwlijks eenen vrund van zoo veel vrunden kent.