Een groote kuiken-ren zeer heftig werd bestreden
Van kuiken-dieven drie, die grooten arbeid deden,
Opdat ze tot een roof verkregen 't jonge bloed,
Het malsch en lieflijk vleesch van naakt en kaal gebroed.
De moeder koomt op slag gevlogen, met verschrikken,
En ziet, hoe alle drie zij door de traliên pikken,
Ziet, hoe haar vlucht[323], in nood en grooten angst (helaas!)
Bijna geworden is der kuiken-dieven aas:
Dies stelt haar[324] fluks te weer, op dat zij, naar vermogen,
Afweren mocht de geen die om haar jongskens vlogen.
Zij vliegt rondsom de kouw[325], zij klaakt[326], en slaat geluid,
Zoo lang tot haar[327] ontjaagd is de gewenschte buit.
De klok-hen draagt[328] het beeld der trouwe magistraten,
Waarop de onnoozle zich standvastig mag[329] verlaten,
Die allen vromen zijn als eenen vasten burcht;
Wèl 't land, daar de overheid 't gemeene best bezurgt[330].