De kromgehoornde ram begeerde, dat de benden
Der witgewolden hem als haren koning kenden,
Vermits zijn voorhoofd met twee hoornen was verzien,
Waarmede in tijd van nood hij dapper weer mocht biên.
't Ontwapend weerloos vee, de witgewolde vliezen,
Genoodzaakt, uit ontzag, den ram tot hoofd te kiezen,
Bestemden[322] zijnen eisch: de bok, uit hovaardij
Om te erven nog een rijk en grooter heerschappij,
Den stier ten strijde uitdaagde, en dacht hem te verkloeken.
Het groote beest, gereed, niet verre en was te zoeken,
Maar liep den ram op 't lijf, al wat hij rennen mocht,
Die fluks verslagen stak de beenen inde locht.
Wie, boven zijne macht, te stout en zeer vermeten,
Eens anders kracht bespot, en gaat zich zelf vergeten,
Veel lichter als hij waant, vernederd worden zal:
Want hoogmoed (zoo men zegt) gaat altijd voor den val.