'T CHAMÆLEON.
't Geschubt Chamæleon steeds bij[320] de locht moet leven,
De locht alleen dit dier kan spijze en voedsel geven.
't Heeft voeten scherp geklaauwd, het krunkelt zijnen steert,
't Waakt 's daags zoo wel als 's nachts, 't is stout en onverveerd.
Als[321] eenen Proteus veel gedaanten kan verwerven,
Zoo trekt dit dier tot zich van allerhande verwen
Het blinkende gestalt, maar weigert rood en wit.
Den logen-prater, die aan 's princen tafel zit,
Men bij 't Chamæleon gelijken mag met reden:
Hij vult des vorsten oor met vele nieuwigheden,
Verkoopt hem wat hij wil, smeedt d' een aan d' ander klucht
Van allerlei gestrooid en wijd verzierd gerucht:
En blijft hij somwijl in zijn logentaal gevangen,
Hij krijgt noch vrees noch schaamt, noch roô noch bleeke wangen.