Den hongerigen wolf een egel juist ontmoetten,
En wist niet, hoe hij mocht zijn honger aan haar boeten,
Vermits zij wrevlig stak haar borstels overend.
Dies sprak de wolf tot haar: "o nichte, wel bekend
Zijt voor mij onbevreesd, noch staat niet in slagoorden;
't Is onder al 't gediert (gelooft mij bij mijn woorden)
Bestand, ja, enkel vrede, en eendracht over al,
Zoo dat gij niet en hoeft te zorgen voor misval."
"Gij spreekt (zegt de egel) recht; ik weet, dat alle beesten
Staan in een vast verbond in velden en foreesten;
Doch voor de moordenaars, die lichtlijk in een haag
Gedoken mij bespiên, ik deze wapens draag:
En ben noch niet van zin, op reis die af te leggen,
Misschien wie[318] onverhoeds mij 't oorlog aan mocht zeggen."
Wijs is hij, die zich zelfs beschermt en wel bewaart,
Den vijand niet gelooft, die vriend zich openbaart[319];
Hij ligt maar op zijn luim, en zoude u geern betrapen,
Als hij u vindt ontbloot van 't uitgetogen wapen.