De wolf, om alderbest de vliezen[310] te betrapen,
Zich met een schaaps-vel heeft vermomd en heel verschapen[311],
En weidde met den[312] koor[313] der lammeren in 't gras,
Sliep in der schapen kooi; en als 'er niemand was,
Hij spoedig een verslond, en leefde in duizend weelden;
Maar, als hij lang genoeg zijn oude tukken[314] speelden,
Den herder eindelijk ontwaakte als uit den slaap,
Als hij, van dag op dag ontbloot van menig schaap,
De kooye al stil beloerde, en zag, hoe 's wolven tanden
Zijn kudde in 't stil verslond en bracht[315] geheel ter schanden:
Dies schietende onverziens, gelijk als uit den droom,
Heer-Wolfaart knoopen liet met 't schaaps-vel aan een boom.
Als d' herders zagen, hoe hij eindlijk was bedegen[316],
"Recht heeft hij," zeiden zij, "loon naar zijn werk gekregen."
De schijn bedriegt 'er veel, wanneer de schalke mensch
D' onnoozele beloert en lagen leît naar wensch.
Doch 't schaaps-vel mag een wijle een 's wolven hert versteken;
Maar wat hij waarlijk is, is altijd lest[317] gebleken.