Den arend, van 't venijn des schorpioens vergeven,
Hem[308] vond uit lust tot wraak zeer pijnelijk gedreven;
En greep 't veelvoetig dier van 't aardrijk in de locht,
Met zijnen krommen bek, op dat hij 't kwetsen mocht.
Maar laas! het was vergeefs; in plaats van zich te wreken,
Heeft 't schorpioen al meer hem met vergift bestreken,
En doodelijk gekwetst: de vogel lijdt vast smert,
Want 't werkende venijn bekruipt al meer zijn hert,
Ter tijd gansch afgemat hij viel in 't gras verslagen;
Liet[309] de ijdelheid zijn ziel aan zijner plaatsen dragen.
Wie brandt om eigen wraak van 't eens ontvangen kwaad,
Ziet toe, met wie hij zich het strijden onderstaat.
Lijdt liever ongelijk, als dat, tot wraak genegen,
Gij eenen sterker held trekt onder oogen tegen.