DE VLIEGE EN DE MIER.

Der vliegen keizer zich veel lofs heeft toegeschreven,

Vermits hij, in 't paleis der princen hoog verheven,

Aan 's vorsten tafel at, daar 't mierken 's zomers vast[300]

Met arbeid was bezwaard en wonderlijk[301] belast;

Zoo datze meer een peerd of ezel was geleken[302],

Die staag tot de ooren toe in slavernije steken.

"Den arbeid," zegt de mier, "kan niet zoo schand'lijk zijn,

Als leêgheid, die best past den hond of 't vuile zwijn.

Welks leven van ons tween ook waard is meerder eeren,

Zal ons de ervarentheid[303] des tijds heel kortling leeren."

't Was naauwelijks gezeîd; de winter-tijd verscheen:

De vliege in armoê sterf[304] met droefheid en geween;

Maar de altijd kloeke mier, verzorgd in hare schuren,

De winter wonder veil[305] in weelde kon verduren.

De luyaart, die de bloem van 's levens tijd verslaapt,

In plaats van vruchten niet dan stekel-doornen raapt,

Vergaat in zijn ellend; terwijl, door 's Heeren zegen,

De vrome[306] wel verzorgd en heerlijk is bedegen[307].

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 126 / 258 题