De bok en 't witte lam zijn onderling verdragen[298],
Malkanders zoet en zuur gezamentlijk te dragen,
Malkandren bij te staan in allerhande nood,
En geenszins niet te vliên om leven noch om dood.
De wolf eerlange ontmoet dees lieve met-gezellen,
En wist zich tegen 't lam heel vrundlijk aan te stellen:
"Onnoozel schaapken!" zegt de wolf, "wat gaat u aan!
Wat wildy met een bok, dien vuilen stinkert, gaan?
Komt, voegt u neffens mij, ik kan u best bewaren
Voor allen, die u leed aanbrengen of vervaren."
De bok 's wolfs loosheid merkt, en spreekt: "gij, loozen gier[299]
Koe-vreter, schapen-dief! fluks, pakt u weg van hier!"
Wie met de vromen zich verzelschapt t' allen tijden,
Blijft veiliglijk beschermd in alderhande lijden,
Geen goud zoo dierbaar is, noch geenderleye munt,
Als tot een reis-gezel is eenen trouwen vrund.