Den havik, om den dag en uur van zijn geboorte
Te vieren statiglijk, naar eisch en naar behoorte,
Heeft allerlei geslacht van vogelen ter feest
Zeer ernstelijk gebeên, met een beveinsden[295] geest:
Meest al wat wieken droeg verscheen en liet hem[296] vinden.
Een zaal was toebereid en tafel voor de vrinden.
Men brast, men is verheugd, men denkt 'er om geen leed.
Maar als den havik nu zijn aanslag ziet gereed,
Hij listelijk terstond den ingang sluit der deuren,
En vangt van voren[297] aan 't gevogelt te verscheuren.
Wie lichtelijk gelooft, schiet lichtelijk te kort,
Wanneer hij onverziens en snel bedrogen wordt.
Wie om een vette muil zich geeft in 's vijands handen,
't Is vreemd noch wonder, dat hij haast geraakt ter schanden.