De vos hadde[290] in een val zijn ruige steert verloren,
Liep overzulks zoo naakt van achter als van voren,
Gelijk een kale sim, die eer noch schaamte aankleeft;
Dies Reintjen zulks in 't diepst van 't hert gespeten heeft,
En veinzende zijn leed kwam tot zijn makkers treden:
"'k Heb," sprak hij, "mijnen steert heel kort van 't lijf gesneden,
De tijd is nu verkeerd[291]: het is der vossen eer
Dat zij, van achter bloot, geen steerten dragen meer."
Maar als zijn makkers loos oom Reinaarts treken sporen:
"'t Is," zeggen zij, "geen tijd naar uwen raad te hooren,
Om[292] korten onze steert. Wanneer den uwen wast,
Ziet, dat gij wederom hem af te snijden past."
Die faam- en eerloos is, en heel geraakt tot schanden,
Zal, om zijn naasten ook te onteeren, dikwijls branden[293].
Wie boos is van gemoed, wanneer 't hem kwalijk gaat,
Wenscht andren, dat haar mag ontmoeten 'tzelve[294] kwaad.