VAN DEN SMIT EN DEN HOND.

Een smid zijn leven sleet in 't midden van de vonken;

Van 't krieken van den dag tot dat de sterren blonken,

Hij aan zijn smisse stond, en gansche dagen lang

Was bezig met het staal, de moker, en de tang.

Doch voor de ondraaglijkheid zijns arbeids zonder treuren[283]

Hem naauwelijks droog brood en water mocht gebeuren[284];

Terwijl zijn tragen hond, naar zijnen eigen lust,

Vast onder zijne smisse en blaas-balk nam zijn rust,

Die dagelijks om brood zijn meester kwam festeeren[285].

De meester, om den hond zijn traagheid te verleeren,

Riep moeyelijk[286] op 't lest: "Gij, rechten bedelaar!

Wat eischty brood van mij? gij ziet, hoe jaar op jaar

Ik naauwlijks onderhoud mag voor mijn zweet genieten,

Terwijl gij vet en grof u 't werken laat verdrieten!"

"Genoegt[287] u," zegt het beest, "ik ben zulks lang gewend

Uw leven loopt zoo wel als 't mijn zeer haast ten end."

De prachers, die met schijn haar pracherij verweeren,

Zich van eens anders zweet niet schamen te geneeren[288]:

Zij zuipen 's naasten merg en uitgeteerde bloed,

Verslempende al het geen hij dier[289] bezuren moet.

De complete werken van Joost van Vondel. Vorstelijke warande der dieren · 第 118 / 258 题