Oom Reintjen werd verliefd[270], een's wijngaards purpren druiven,
Indien 't gelukken woû, smaaklustig op te kluiven,
De trossen hingen hoog verheven in de locht,
Zoo dat hij, na veel moeit, die niet bereiken mocht[271].
Dies toornig, dat hij niet de bezikens[272] mocht[271] krijgen,
Mits dat hij onbekwaam was, om zoo hoog te stijgen,
Bestond den wijnstok met zijn vruchten te versmaân,
Die, zuur en onrijp, smaak noch voedsel brachten aan.
Veel trachten naar het geen zij met 't gemoed begeeren:
Maar wanneer nu vergeefs 't gewenschte zij ontberen,
Versmaân en lastren zij het onverkrijg'lijk goed,
En blusschen zoo den brand des lusts in haar gemoed.