De lang-gebaarde geite, om voedsel gaande uitdolen,
Eerst 't geitken heeft belast te blijven weg gescholen
Int diepste vande kooi, die zij met grendels sloot,
En geenszins op[256] te doen haar jonksken streng gebood.
De wolf, die bij geval daar lag omtrent geslopen,
Kwam, als de geit vertrok, fluks aande kooi geloopen,
En klopte zoetlijk aan, en riep tot zijn gewin[257]:
"Op, op! mijn geitken, op! en laat uw moeder in."
"Neen," zegt de jonge geit, "ik luister naar geen spreken,
Ten zij mij iemand brengt de loze[258] en 't rechte teeken."
"Doet op! mijn kind, doet op!" houdt Wolfaart stadig aan,
"De loze mijn gedachte en hers'nen is ontgaan."
"Zoo hebbe ik," zegt de geit, "de sleutels ook vergeten;
Dus blijft vrij buiten staan, ik zie u door de reten."
Wie op de wetten acht, die billijk zijn en goed,
Zich vrank en veilig voor veel ongevals behoedt.
Wie 't oor der oudren tucht leent, vlijtig naar vermogen,
Niet licht van iemand werd verleid, noch ook bedrogen.