De vorschen Jovem[254] om een vorst of koning baden:
Den Hemel, om zich van haar klachten wat te ontladen,
Haar eenen hollen stronk toevoegde, als voogd van 't rijk,
Die voor fluweel aantrok een rok van 't fijnste slijk.
De kikkers, niet te vreên met dezen dooden koning,
Die noch bescherming bood noch straffe noch belooning,
Weêr Jupiter op nieuws aanriepen om een vorst,
Die ziel en leven droeg van binnen in zijn borst.
De Bliksem-voerder haar den reiger heeft gezonden,
Die d' een na d' ander heeft zeer jammerlijk verslonden.
Gij, die van dertelheid geen weelde dragen moogt,
Noch nimmer u vernoegt aan eenen vromen[255] voogd:
Ziet toe, en wacht u wel van licht te mutineeren,
Noch wilt zoo onbedacht verwerpen uw lands-heeren.
Zoo de eerste reedlijk is, of al wat strenge viel,
Een tweede koomt al haast, en neemt u lijf en ziel.